×

FORGOT YOUR DETAILS?

Bodymind Reading

/ / Organiseer Zelf

Training Bodymind Reading

‘Body Reading’ is gebaseerd op het concept dat struktuur bevroren funktie is. Wat dit betekent, is dat iemands fysieke struktuur een weerspiegeling is van zijn psychobiologische geschiedenis en zijn huidig psychobiologisch funktioneren. Denk aan een fysieke struktuur die gekneed wordt door de ervaringen van het leven. Dat is een continu proces, waarbij de lichaamsstruktuur steeds evolueert met de ervaringen in interaktie met de fysieke en sociale werelden die erop ingrijpen.

Zo zullen deze delen van het lichaam, die gebruikt en gevoed worden, naar hun genetische limiet toegroeien. Deze delen die niet geoefend en gevoed worden zullen niet volledig ontwikkelen, of kunnen atrofiëren, ziek worden, of zelfs helemaal ophouden te funktioneren. Het principe hier is, ‘If you don’t use it, you lose it.’(‘als je ‘t niet gebruikt, verlies je ‘t ). Achter het misbruik, of het niet-gebruik van het lichaam zitten organismische beslissingen die genomen zijn in respons op de zgn. ouderlijke boodschappen die werden gegeven. Wanneer deze boodschappen toxisch zijn, en geïntrojekteerd worden, is het resultaat niet-gebruik of misbruik van het lichaam. Een deel van het lichaam wordt doods, gepantserd, tot op zekere hoogte buiten gebruik gesteld, of het zal gebruikt worden op manieren die niet natuurlijk en biopositief zijn. Andere delen kunnen beschadigd raken door fysieke traumata.

 

Wat we kunnen zien in de fysieke struktuur van een persoon is het huidige punt van evolutie van de interaktie van een genetische basis en het uitleven van een ‘lichaamsscript’. Het lichaamsscript bestaat uit al de permissies en verboden be-treffende het leven van het lichaam (gebruik, niet-gebruik, misbruik).

 

Als een therapeut naar iemands lichaam kijkt, is het zijn taak om de aanwezige fysieke fenomenen te noteren, de fysieke struktuur te zien, en hypothesen te genereren omtrent de mogelijke psychobiologische dynamieken die men kan opmaken uit de geziene fenomenen.

Het dragen van kleren, door de aard ervan, neigt de lichaamsfenomenen te dis-simuleren. Daarom wordt body reading gemakkelijker als de patiënt enkel zijn ondergoed aanhoudt, of een badpak. Hoe meer huid er bedekt is, en hoe meer de kle-ding de aandacht trekt (door kleur, drukpatronen e.a.) hoe moeilijker de body reading is.

 

Body reading is uiterst bruikbaar als deel van een vroege inschatting van de patiënt en het plannen van een behandeling. Op de tweede plaats is het een middel om therapeutische verandering te evalueren. Het is evident dat voor men aan een body reading begint, men eerst de theorie en de bedoeling aan de patiënt hiervan uitlegt.

 

De volgende logische vraag lijkt me dan te zijn. : “Als we naar het lichaam van de cliënt kijken, waar kijken we dan naar?” Deze vraag brengt ons bij de verschillende stijlen die er bestaan van body reading. Men kan een body reading verrichten met of zonder het gebruik van een typologie.

 

Body reading zonder een typologie houdt, op het meest basale niveau, in een fenomenologisch kijken naar het lichaam van de patiënt. Dit betekent zorgvuldig kijken naar de patiënt en op een naïeve manier zien wat er verschijnt. Met naïef bedoel ik zonder evaluaties of interpretaties van wat gezien wordt.  Bv. De knieën staan op slot, de linker schouder is hoger dan de rechter, de benen zijn relatief dikker dan de romp, enz. Eerst worden de fenomenen van het lichaam gezien. Daarna kan men als men dat wenst, naar het niveau van interpretatie overgaan om de betekenis van deze fenomenen te interpreteren, d.i. een hypothese te formuleren omtrent elementen in de geschiedenis van de patiënt en de huidige dynamiek.

Dus een vaardigheid in het fenomenologisch waarnemen is fundamenteel.

Om deze te ontwikkelen kan men beroep doen op een aantal aan te leren technieken zoals bv. het interpreteren van lichaamsfenomenen door imitatie met het eigen lichaam. Men kan dan invoelen hoe het moet zijn om in zus of zo’n houding te staan of te bewegen. In de gevallen waarin imitatie niet mogelijk is, kan men zich een voorstelling maken van hoe het moet zijn om bv. relatief dikke benen te hebben tegenover een mager bovenlijf. Men zou deze methodes respektievelijk ‘empatische lichaamsnabootsing’ en ‘gefantasmeerde empatische lichaamsnabootsing’ kunnen noemen.

Een andere methode van interpretatie is het gebruik van ‘intuïtieve metaforen’, waarbij het lichaam of een lichaamsdeel vertaald wordt in een metafoor, dikwijls een dier metafoor, e.a.. Bv. een grote stier, een stenen muur, een dikke eiken boom. Deze vertaling gebeurt intuïtief, dus niet door een analytisch proces of doelbewust zoeken naar een metafoor.

Een andere manier is te kijken naar een aantal dimensies die betekenisvol kunnen zijn in de lichaamsfenomenen.(Keleman, 1979)., zgn. ‘somatisch descriptieve para-meters’. Zo zou men kunnen kijken naar de mate van opwinding of doodsheid in een deel van het lichaam. Evenzo kan men kijken naar expansie tegenover contractie, gebondenheid tegenover ongebondenheid, strak of los, aktief of passief, week of hard, opgeladen tegenover ontladen, traag tegenover snel, verhouding tot de zwaartekracht, patronen van houding en beweging, de tendens om denken, voelen en handelen te richten op organisatie of desorganisatie. enz.

Iets anders waar men kan naar kijken zijn de aanwezigheid van asymmetrieën. Kijk naar delen van het lichaam die niet bij elkaar lijken te horen. Deze splitsingen in het lichaam werden herkend en geïnterpreteerd door verscheidene auteurs zoals Dychtwald (1978). Hij identificeert vijf majeure splitsingen : links-rechts, top-bodem, voor-achter, hoofd-lichaam, torso-ledematen.

 

Een tweede manier is body reading met een typologie. Een typologie is een systeem van classificatie gebaseerd op bepaalde karakteristieken. Bij body reading kan de aanwezigheid van bepaalde combinaties van strukturele kenmerken lichaamstypes definiëren. In de mate dat er psychobiologische karakteristieken zijn die cor-responderen  met de lichaamstypes, kan body reading organismische syndromen aan het licht brengen.

 

Het vroege werk om fysieke karakteristieken en gedrag met mekaar in verband te brengen bestond erin woordenboeken samen te stellen met volksgeloof betreffende deze verbanden. Voorbeelden van deze benadering worden gevonden bij Lavater (1804) en Gall en Spurzheim in 1809.

De volgende stap was nauwkeuriger te observeren en te zien, of inderdaad zulke relaties tussen fysieke karakteristieken en gedrag bestaan. Zo’n vroeg empirisch werk en verdere katalogisering werd verricht door Rostan (1824), Viola (1909), Sigaud (1914), Naccarati (1921) en Kretschmer (1925).

 

Constitutionele standpunten zijn gedurende eeuwen de voorlopers van het bestaan van academische psychologie.

 

HIPPOKRATES.

Hippokrates was een van de eersten in de westerse traditie die zich bezighield met de constitutie. Hij suggereerde een typologie van de fysiek, een temperamenttypologie en een conceptie van stemmingen (‘humoren’-lichaamsvochten) die consistent is met het huidige denken i.v.m. de rol van endocriene secreties in menselijk gedrag. Hippokrates’ lichaamstypologie bestaat uit 2 types : het korte en dikke versus het lange en dunne. Het eerste type was voorbestemd om apoplexie (een beroerte) te krijgen (Habitus apoplecticus). Het tweede (lang en dun) was voorbestemd om TBC te krijgen (Habitus phthisicus).

In termen van temperament suggereerde Hippokrates 4 basistypes. Elk type wordt gedomineerd door 1 van de 4 lichaamsvochten. De 2 extreme types zijn het ‘chole-rische’ en het ‘melanchole’. Daartussen zitten de 2 gematigde types, nl. het ‘sangui-nische’ en het ‘phlegmatische’. Deze types corresponderen met een predominantie van gele gal, zwarte gal, bloed en phlegma respektievelijk. Deze types koppelde Hippokrates ook aan de vier elementen en aan de vier seizoenen.

Zijn systeem heeft in de loop der eeuwen vele andere lichaamstypologiën beïnvloed zoals dat van Rostan, Viola, Heymans en zelfs Pavlov.

Sheldon, heeft een indrukwekkende tabel opgesteld waarop 29 auteurs voorkomen die allen hun systeem min of meer op twee of drie hoofdtypen hebben opgebouwd.

 

KRETSCHMER (1925)

De beweging naar meer precisie en objectiviteit in de lichaamstypering ging verder met het werk van de duitse psychiater Ernst Kretschmer. Zijn methode bestond erin het subject naakt te laten rechtstaan voor de observator die dan een lange checklist invulde met descriptieve zinnen voor elk van de belangrijkste lichaamsdelen.

Dit was een erg systematische en tijdrovende procedure. Een complexe analyse van deze ‘ratings’ en objectieve metingen leidde tot drie basistypes.

-Het astenische : freel, lineair uiterlijk, lange gestalte, smalle, platte borstkas, lange ledematen, dunne hals, weinig kin, spitse neus.

-Het atletische : musculair en krachtig, vitaal, goed geproportioneerd, type sportman of sportvrouw.

-Het pyknische : plomp, gedrongen gestalte, dikke romp, graciele ledematen, korte hals, zwaar hoofd.

– + Het dysplastische : ongewone lichaamsstrukturen, raar, verrassend, lelijk

 

Kretschmer praat over drie temperamenten : syntoon, schizoïd en ictaffien.

In een studie van 260 psychotische patiënten concludeert Kretschmer dat er een duidelijke biologische affiniteit is tussen het pyknische type en manisch-depres-sieve psychose en tussen de asthenische, atletische en zekere dysplastische types en schizofrenie. Kretschmer zag psychotisch en normaal op een continuum, en sprak over deze dimensies als volgt : (normaal)schizothym – schizoïde – schizofrenie, en (normaal)cyclothym – cycloïde – manisch-depressief.

Voortgaand op deze visie van een continuum van normaal tot psychotisch, geloofde Kretschmer dat er een relatie is tussen lichaamstype en gedrag in normale personen.

 

SHELDON.

De persoon die deze lijn van theorievorming en onderzoek tot op een hoog niveau bracht was William Sheldon. Zijn constitutionele psychologie is complex en uit-gebreid.

In Sheldon’s visie is er een ‘morphogenotype’ of hypothetisch biologische structuur die onder het ‘fenotype’ of observeerbare fysiek ligt. Het morfogenotype speelt een rol zowel in het determineren van de fysieke struktuur als in het beïnvloeden van het gedrag. Door het fenotype te meten heeft men een indirekte schatting van het morfogenotype. Deze metingen identificeren een ‘somatotype’.

Een zorgvuldige analyse van 4000 foto’s bracht drie primaire componenten van fysiek naar voor : endomorfie, mesomorfie en ectomorfie.  Elk lichaam vertegenwoordigt dan een combinatie van de graad van elke component.

Sheldon heeft verscheidene secundaire kenmerken van fysiek gesuggereerd die een meer volledige beschrijving toelaten : dysplasie (geleend van Kretschmer), gynandromorfie en texturaal aspect.

Sheldon leidde ook primaire componenten van temperament af : viscerotonie, soma-totonie en cerebrotonie.

Aanzienlijk onderzoek door Sheldon en zijn collega’s heeft aangetoond dat er een sterke relatie is tussen primaire componenten van fysiek (struktuur) en primaire componenten van temperament (funktie).

De bevindingen van Sheldon lijken consistent te zijn met de drie neurotische oplossingen die Karen Horney (1945) zag bij mensen die zich hulpeloos en ge-ïsoleerd voelden, nl. ‘een beweging naar de mensen toe’, ‘een beweging van de mensen weg’ en ‘een beweging tegen de mensen’.

 

DE REICHIAANSE TRADITIE.

Hoewel niet algemeen gekend, zelfs onder clinici, maar het systeem dat het grootste publiek heeft gekend is dat wat voorgesteld werd door Alexander LOWEN (1971,1975). Dit systeem is gebaseerd op het werk van Wilhelm REICH en is een uitbreiding van de observaties die Reich (1949) maakte omtrent de patronen van lichaamspantsering, die gevonden worden in verschillende karaktertypes.

Omdat het een klinisch/diagnostisch instrument is, eerder dan een precies laboratorium instrument, is het Reich/Lowen systeem van karakter lezing van het lichaam niet gebaseerd op lichaamsmetingen. In dit opzicht verschilt het van Sheldon’s somatotypering.

 

Anders dan Sheldon’s theorie van somatotypes, is de Reich/Lowen theorie van karakter niet gebaseerd op een genetisch determinisme. Daarentegen wordt karak-ter gezien als zich ontwikkelend vanuit de vroegere levenservaringen. De ermee verbonden lichaamsstruktuur is een reflectie van hoe het lichaam is gebruikt, niet gebruikt of misbruikt als deel van deze ervaringen. Een karakterstruktuur is te omschrijven als een samenhangend geheel van opvattingen, lichamelijke kenmerken, gedragspatronen en gevoelens, dat het antwoord is van elk individu op zijn levensomstandigheden. Het is de resultante van het overleven van die omstandigheden. Een karakterstruktuur is derhalve op te vatten zowel als een defensie (verdediging) van het innerlijke zelf tegen zijn levensomstandigheden, alsook een expressie van het innelijke zelf in het proces van leven en overleven. (Van Praag, 1979).

 

Reich en Lowen verschillen licht in hun benadering van Body Reading. In de reichiaanse benadering ligt het accent op het ontdekken van de ‘core’ pantsering en daarbij een besluit te trekken over de karakterstijl van de patiënt. Lowen, aan de andere kant, neigt ernaar de algemene lichaamsstruktuur te observeren en van daaruit de karakterstijl te ontdekken.

 

Om te beginnen wil ik kijken naar de Reichiaanse benadering zoals die heel mooi werd uitgelegd door Elsworth BAKER (1967). Karakterontwikkeling hangt volgens hem af van de graad van fixatie op de verschillende erogene niveau’s. Op het somatische vlak, hangt karakterontwikkeling af van de graad van pantsering in elk van de erogene zones.

 

Baker (1967) spreekt over 4 majeure erogene zones, die elk een ontwikkelings-stadium representeren. De zones zijn de ogen, de mond, de anus, en de genitaliën, met de ontwikkelingsstadia oculair, oraal, anaal, fallisch en genitaal (het fallische stadium is eigenlijk een vroege of incomplete fase van genitaliteit).

 

Symptomen ‘karakteristiek’ voor deze niveau’s zijn aanwezig wanneer er een energieblokkade bestaat in een erogene zone. De meeste mensen hebben een majeure blokkade in één van de erogene niveau’s van ontwikkeling, met minder blokkering op een ander niveau of niveau’s. Dit betekent dat musculaire pantsering het grootst is in één aparte erogene zone, met een mindere graad van pantsering in andere erogene zones bij de meeste mensen.

Er is meestal ook pantsering in andere delen van het lichaam (niet-erogene zones), maar zoals Baker (1967,p. 113) het stelt, “is het enkel de pantsering in de erogene zones die het karaktertype bepalen”. De pantsering in de erogene zones die het karaktertype bepalen”. De pantsering in de niet-erogene zones creëert de indivi-duele verschillen binnen een karaktertype.

 

In de normale ontwikkeling neemt elk stadium zijn beurt als de primaire focus van energie, en nadat de persoon zijn ontwikkeling heeft geleid naar de volgende fase, blijven de vroegere zones belangrijk in de ervaring van plezier.

Als daarentegen de persoon getraumatiseerd is in een bepaald stadium, dan zal er een blokkade of pantsering optreden in die erogene zone. Deze stop in ontwikkeling verhindert het bereiken van genitaliteit en daarom staat het de toegang tot een volledige genitale energie processing in de weg. De accumulatie van energie op een pregenitale erogene zone produceert klinische symptomen.

 

Baker (1967) gaat verder om te zeggen dat een emotioneel trauma op enig stadium twee mogelijke resultaten kan hebben : 1) repressie; of 2) blijvende ontevredenheid.

Met repressie ontwikkelt de persoon nooit plezierig funktioneren in dit stadium, leert nooit van het gebruik van deze erogene zone te genieten. In het geval van ontevredenheid, het onbevredigende, is de persoon onverzadigbaar, probeert steeds de gekende bevrediging te verkrijgen.

In repressie is er een meer volledige pantsering dan er is in het geval van blijvende onbevredigdheid. In dit laatste geval wordt het streven gevoeld, maar de pantsering verhindert voldoende expressie op volledige bevrediging te brengen. Het resultaat is een bijna constante drang tot expressie.

 

D.m.v. het herkennen van de locus van de zwaarste pantsering, kan men de oculaire, orale, anale, fallische en genitale karakters identificeren. Tevens kan men naast het kijken en betasten van de pantsering aan de patiënt vragen naar symptomen die dan voor een convergentie kunnen zorgen van bewijs voor pantsering.

Waar heeft men pijn, ongemakken, ziekten en dysfuncties? Wanneer zulke feno-menen de erogene zones betrekken, leveren ze bewijs voor het karaktertype.

 

Uitgaande van dit schema van 5 basis karaktertypes, ontplooit Baker (1967) diverse specifieke syndromen in elk van deze. Deze syndromen, waarvan sommige overeen-komen met traditionele diagnostische categorieën, zijn gebaseerd op de patroon-vorming van pantsering in erogene en niet-erogene zones secundair aan de primaire pantsering van een erogene zone waardoor het basis karaktertype wordt gedefiniëerd. Voor meer informatie zie Man in the Trap (Baker, 1967).

 

Karaktertypes

Onderdrukt en onbevredigd

Karaktertype

(Ontwikkelingsstadium)   Primaire                       Onderdrukte                Onbevredigde

Pantsering                           vorm                           vorm

Oculair                                  Oculair segment                 Verwarring           Voyeurisme

(“ziet niet”)

0raal                                     Oraal segment                      Depressie                 Overdreven toegeeflijkheid

Anaal                                   Pelvisch segment                Controle               Onderdanigheid

(vooral achteraan)

Fallisch                               Pelvisch segment          Rechtschapenheid       Don Juanisme

(vooral vooraan)

 

Genitaal                              Pelvisch segment           Vlucht of bevriezen     Krankzinnig gedrag

Laat ons nu kijken naar Lowen, en zien hoe hij Reichs karakterlezing (met daaraan gepaard gaande body reading) vanuit het lichaam verder heeft ontwikkeld.

 

Lowen (1971, 1974, 1975) heeft veel gedaan om de theorie over karakter zowel te systematiseren als uit te breiden. En hiermee, definiëerde hij karaktertypes in termen van zichtbare fysieke struktuur. In 1958 schreef Lowen over de volgende karaktertypes : het orale, masochistische, hysterische, fallisch-narcistische, pas-sief-feminiene, schizofrene, en schizoïde. Tegen 1974 had hij verdere systematisatie van de studie van karakter doorgevoerd door 5 majeure karaktertypes te definiëren en hun relaties.

Een ‘karakter’ is een hypothetisch syndroom. Niemand is een puur karakter type, maar eerder heeft elke persoon elementen van de verschillende types. Waar we naar zoeken is welk karaktertype dominant is en welk ander type of types secundair zijn in iemands dynamiek.

De vijf karaktertypes staan in een volgorde van ontwikkeling in hun etiologie. Het vroegste type is het schizoïde, dan het orale, het psychopaten, de masochist, en dan de rigide types. Het karakter dat wordt ontwikkeld, hangt af van het ontwikkelingsstadium waarin het kind getraumatiseerd is. Als het trauma relatief vroeg plaats vindt, dan zal de persoon moeilijkheden hebben om zich doorheen de daaropvolgende stadia te ontwikkelen. Daarom staan de karaktertypes in afdalende orde van complexiteit, omdat er steeds een gedeelte van een type aan een type wordt toegevoegd, hoe vroeger het initiële trauma.

Als men dus hogerop gaat in de ontwikkelingssequense van karaktertypes, is er een grotere variëteit in het syndroom, omdat er meer persoonlijkheidsdifferentiatie heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het trauma. Tegen de tijd dat de rigiede types zijn bereikt, is er een sexuele differentiatie bereikt, zodat de rigiede types in mannelijke vormen (fallisch-narcistisch en compulsief) en een vrouwelijke vorm (hysterisch) uiteenvalt.

 

Noot : Kurtz en Prestera (1976), doen in hun boek ‘The body reveals’ een poging om de psychiatrische terminologie van Lowen en Reich te veranderen in meer begrij-pelijke termen zoals het behoeftige, het bezwaarde en het verwaande type. Andere auteurs hebben minder moeite met de beladen terminologie, omdat ze ervan uitgaan dat mensen geen typen zijn, maar elk op zich uniek, en dus niet te vatten in een term ook al klinkt die in de oren van sommigen negatief. Leuk is de manier waarop ze op vereenvoudigde manier een aantal silhouetten afbeelden, waardoor concreter kan nagedacht worden over deze types, en men ook in de body reading een soort kapstok krijgt.

 

TOP